In de film 'Groundhog Day' speelt Bill Murray een tv-weerman die telkens weer wakker wordt op dezelfde dag, uitgerekend de ergste dag uit zijn leven. In Duitsland neemt voor de burgers nu elke dag de kans toe op een politieke Groundhog Day: een heruitgave van de zogenaamde grote coalitie van christen- en sociaaldemocraten.
Sinds de regionale verkiezingen in drie deelstaten van een week geleden is een verlenging van de grote coalitie, die niemand eigenlijk wil, dichterbij gekomen. De populariteit van kanselier Angela Merkel (CDU) blijft groot, maar de inhoudsarme campagne kost haar partij stemmen. De CDU leed forse verliezen, waardoor een paar politieke kopstukken het pluche moeten opgeven.
De SPD van rivaal Frank-Walter Steinmeier heeft opeens weer wind mee en droomt van een inhaalrace. Dat laatste lijkt rijkelijk voorbarig. Met slechts 8 miljoen inwoners woont in de drie deelstaten Thüringen, Saksen en Saarland niet eens 10 procent van de Duitse bevolking. Bovendien verloor ook de SPD stemmen en ligt ze nog ver achter de CDU.
De spelbederver voor de SPD heet Die Linke. De socialistische partij, die onder de voormalige SPD-baas Oskar Lafontaine is uitgegroeid van communistisch DDR-overblijfsel tot voorvechter van kansarmen, vist in de vijver van de SPD. Samen regeren met Die Linke op federaal niveau is vooralsnog voor elke partij een taboe, ook voor de SPD. Samen met de Groenen lijkt een meerderheid onwaarschijnlijk en een zogenaamde stoplichtcoalitie met de Groenen en de liberalen ketst af wegens tegengestelde opvattingen over kernenergie.
Steinmeier gaat nu dus voor een destructieve strategie. Het motto is nu 'if you can't join them, beat them'. Het officiële doel is niet langer winnen, maar het voorkomen van een mogelijke conservatief-liberale coalitie.
Als die strategie lukt, blijft - met de groeten van Bill Murray - de vermaledijde herhaling van de grote coalitie als enig realistisch alternatief over. Voor Duitsland allesbehalve een zegen.
In 2005 aangetreden als doenercoalitie, zijn de resultaten teleurstellend. De sterke economische groei tot aan de crisis was vooral te danken aan de forse mondiale groei; de prestatie van de arbeidsmarkt was nog het gevolg van de hervormingen van Gerhard Schröder.
Alleen het economische crisismanagement van de afgelopen maanden verdient lof, ook al waren de maatregelen voor de bankensector niet altijd om over naar huis te schrijven. Nu men niet nog een keer op mondiale groei kan vertrouwen, moet een nieuwe regering een duidelijke richting aangeven en doorzetten.
Rechts of links, voor de Duitse economie is alles beter dan een politieke Groundhog Day.
Deze column verscheen in de Belgische De Tijd.
Thursday, September 10, 2009
Wednesday, September 2, 2009
Subsidies voor zonnebanken
Er is nu toch concurrentie voor de Duitse bondskanselier Angela Merkel. Niet van de sociaaldemocraten, die in de opiniepeilingen nog steeds op ongekende dieptepunten staan, maar van een heel andere kant. Volgens het dagblad Bild-Zeitung is de populairste Duitser van dit moment Horst Schlämmer.
Deze rijzende ster maakt op pijnlijke manier duidelijk wat de tekortkomingen van de verkiezingscampagne zijn. Horst Schlämmer is het alter ego van de populaire komiek Hape Kerkeling. Schlämmer is het drankzuchtige sufferdje van een kleine krant dat nu in een bioscoopfilm een gooi doet naar het kanselierschap. Als een Duitse ‘Borat’ voert hij campagne met kreten als ‘Yes, weekend’ en ‘Alles moet meer zijn’.
Tot zijn programmapunten behoren onder andere subsidies voor zonnebanken en een minimuminkomen van 2.500 euro voor alle Duitsers. Fictie, maar toch zouden rond 20 procent van de Duitsers op hem stemmen. Niet verrassend, want de Duitse verkiezingscampagne, met nog maar een maand te gaan, is allesbehalve flitsend. Geen inhoud, alleen beelden en banaliteiten.
Angela Merkel staat liever te stralen naast een Duitse medaillewinnares tijdens het WK atletiek in Berlijn dan dat ze een discussie voert over de arbeidsparticipatie van vrouwen. En de sociaaldemocraat Frank-Walter Steinmeier praat niet over de toekomst van de auto-industrie, maar volgt liever een spoedcursus handjes schudden en schouderklopjes geven. In plaats van een richtinggevende discussie over de gezondheidszorg gaat het publiek debat over de vraag of de minister van Gezondheid onterecht haar dienstwagen meenam op vakantie.
Campagne à la Schlämmer, maar waar blijft de inhoud? Ondanks een pijnlijke recessie is er geen discussie over het Duitse groeimodel. Onnodig toch, nu de economie weer groeit? Niet echt. De Duitse groei in het tweede kwartaal kwam van de autoverkoop en de export. Beiden alleen mogelijk gemaakt door de conjunctuurpakketten van zowel de Duitse als buitenlandse regeringen.
De Duitse economie groeit op dit moment alleen bij gratie van de overheidsprogramma’s. Zij ligt nog steeds aan het infuus en kan zonder niet overleven. De slooppremie is afgelopen en de werkloosheid dreigt na de verkiezingen fors te stijgen.
Natuurlijk zal de export ook in de komende jaren een belangrijke motor voor de Duitse economie zijn, maar voor een krachtig, houdbaar herstel is een structureel sterkere binnenlandse vraag nodig. De partij die echte antwoorden op die vragen biedt, heeft geen subsidies voor zonnebanken nodig om stemmen te trekken.
Deze verkiezingscolumn verscheen ook in het Belgische dagblad De Tijd.
Deze rijzende ster maakt op pijnlijke manier duidelijk wat de tekortkomingen van de verkiezingscampagne zijn. Horst Schlämmer is het alter ego van de populaire komiek Hape Kerkeling. Schlämmer is het drankzuchtige sufferdje van een kleine krant dat nu in een bioscoopfilm een gooi doet naar het kanselierschap. Als een Duitse ‘Borat’ voert hij campagne met kreten als ‘Yes, weekend’ en ‘Alles moet meer zijn’.
Tot zijn programmapunten behoren onder andere subsidies voor zonnebanken en een minimuminkomen van 2.500 euro voor alle Duitsers. Fictie, maar toch zouden rond 20 procent van de Duitsers op hem stemmen. Niet verrassend, want de Duitse verkiezingscampagne, met nog maar een maand te gaan, is allesbehalve flitsend. Geen inhoud, alleen beelden en banaliteiten.
Angela Merkel staat liever te stralen naast een Duitse medaillewinnares tijdens het WK atletiek in Berlijn dan dat ze een discussie voert over de arbeidsparticipatie van vrouwen. En de sociaaldemocraat Frank-Walter Steinmeier praat niet over de toekomst van de auto-industrie, maar volgt liever een spoedcursus handjes schudden en schouderklopjes geven. In plaats van een richtinggevende discussie over de gezondheidszorg gaat het publiek debat over de vraag of de minister van Gezondheid onterecht haar dienstwagen meenam op vakantie.
Campagne à la Schlämmer, maar waar blijft de inhoud? Ondanks een pijnlijke recessie is er geen discussie over het Duitse groeimodel. Onnodig toch, nu de economie weer groeit? Niet echt. De Duitse groei in het tweede kwartaal kwam van de autoverkoop en de export. Beiden alleen mogelijk gemaakt door de conjunctuurpakketten van zowel de Duitse als buitenlandse regeringen.
De Duitse economie groeit op dit moment alleen bij gratie van de overheidsprogramma’s. Zij ligt nog steeds aan het infuus en kan zonder niet overleven. De slooppremie is afgelopen en de werkloosheid dreigt na de verkiezingen fors te stijgen.
Natuurlijk zal de export ook in de komende jaren een belangrijke motor voor de Duitse economie zijn, maar voor een krachtig, houdbaar herstel is een structureel sterkere binnenlandse vraag nodig. De partij die echte antwoorden op die vragen biedt, heeft geen subsidies voor zonnebanken nodig om stemmen te trekken.
Deze verkiezingscolumn verscheen ook in het Belgische dagblad De Tijd.
Sunday, July 19, 2009
Auf der Überholspur zur Ausfahrt?
Die Krise ist vorbei. Die Aufräumarbeiten können nicht schnell genug beginnen. So oder so ähnlich klang in den letzten Wochen der Tenor Europäischer Politiker und Zentralbanker. Beim letzten Europäischen Rat in Brüssel Ende Juni sahen die Regierungsleiter die europäische Wirtschaft schon auf dem Weg zu einem anhaltenden Aufschwung. Letzte Woche verkündete das deutsche Wirtschaftsministerium sowie viele Experten gar das Ende der Rezession in Deutschland. Gleichzeitig sinnieren EZB Präsident Trichet und Bundesbank Präsident Weber aber auch Politiker jeglicher Parteizugehörigkeit über schnelle Ausstiegstrategien aus dem Krisenmanagement. Stehen wir am Vorabend von unerwarteten Zins- und Steuererhöhungen?
Für die Geldpolitik scheint das Abwickeln des Krisenmanagements relativ unproblematisch. Die EZB hat bei all ihren unkonventionellen Maßnahmen zur Wiederbelebung des Geldmarktes immer schon den schnellen Ausstieg im Hinterkopf gehabt. Deshalb ist man auch nicht dem Beispiel anderer Zentralbanken gefolgt und man hat nicht risikoreiche Papiere der Geschäftsbanken auf die eigene Bilanz übertragen. Wenn die EZB die überflüssige Liquidität aus dem Markt zurückholen will, muss sie einfach nur den Geldhahn zudrehen und ordentlich mit dem Putzlappen aufwischen. Die Ausfahrtsstraße der EZB sieht daher recht überschaubar aus, auch wenn erst ganz am Ende der Strasse Zinserhöhungen am Ausfahrtsschild stehen.
Für die Staatsfinanzen sieht die Sache schon etwas schwieriger aus. Hier wurde und wird Steuergeld ausgegeben, das letztendlich zurückverdient werden muss. Einfach nur den Wasserhahn zudrehen, reicht nicht. Über die Notwendigkeit der Haushaltskonsolidierung gibt es keinen Zweifel. Die jüngeren Generationen sollten nicht unter den Altlasten leiden müssen. Die demographischen Entwicklungen kennen keine Finanzkrise und der Druck auf Sozialsysteme und Renten wird in den nächsten Jahren nur noch zunehmen. Die Schulden müssen runter und das Wirtschaftswachstum muss rauf. Unmöglich? Es gibt eine Reihe empirischer Studien, die einen positiven Zusammenhang zwischen Haushaltskonsolidierung und Wirtschaftswachstum zeigen. Das klappt aber nur, wenn die Haushaltskonsolidierung an der Ausgabenseite stattfindet, nicht an der Einnahmenseite. Weniger Ausgaben der öffentlichen Hand können viel eher zu niedrigen Zinsen und einer Abnahme der Sparquote führen und damit das Wirtschafswachstum stärken.
Die Europäische Kommission und der Europäische Rat haben die meisten Mitgliedsstaaten aufgerufen, um nächstes Jahr mit der Konsolidierung zu beginnen. Wie lobenswert und erstrebenswert die Zielvorhaben für nächstes Jahr auch sind, so unrealistisch erscheinen sie. Trotz eines leichten Aufschwungs wird die Produktionslücke auch 2010 noch weiter aufklaffen. Das heißt, dass sich der Arbeitsmarkt weiter verschlechtern aber in keinem Fall verbessern wird. Ein zu frühes Sparen der öffentlichen Hand könnte den fragilen Abschwung abwürgen. Ein Blick auf die letzten 20 Jahre zeigt außerdem, dass im Euroraum noch nie eine Haushaltskonsolidierung begonnen hat, solange die Produktionslücke noch gewachsen ist.
Kaum ein europäischer Politiker hat den Zeitplan der Ausstiegsstrategie in Frage gestellt. Nur keine Probleme machen, scheinen sich viele zu denken. Jetzt Zusagen und Versprechen machen und dann weitersehen. Reine Lippenbekenntnisse. Die Ausstiegsstrategie muss deutlich, glaubwürdig aber auch realistisch sein. Unrealistische Zielstellungen riskieren das endgültige Ende des europäischen Stabilitätspakts im nächsten Jahr. Eine bessere Ausstiegsstrategie ist die deutsche Schuldenbremse. Ein deutliches, glaubwürdiges Bekenntnis zum langfristigen Haushaltsausgleich, das gleichzeitig genug Spielraum zur Überwindung der jetzigen Krise bietet.
Wie auf der Autobahn kommt es auch bei der Ausstiegsstrategie auf das richtige Timing an. Fährt man zu schnell auf der Überholspur, kann man in aller Eile auch schon mal die Ausfahrt verpassen. Europa muss das Tempo etwas drosseln und sich langsam einordnen. Das Ausfahrtsschild kommt erst nächstes Jahr in Sicht.
Artikel in Euro am Sonntag, 19.7.2009
Für die Geldpolitik scheint das Abwickeln des Krisenmanagements relativ unproblematisch. Die EZB hat bei all ihren unkonventionellen Maßnahmen zur Wiederbelebung des Geldmarktes immer schon den schnellen Ausstieg im Hinterkopf gehabt. Deshalb ist man auch nicht dem Beispiel anderer Zentralbanken gefolgt und man hat nicht risikoreiche Papiere der Geschäftsbanken auf die eigene Bilanz übertragen. Wenn die EZB die überflüssige Liquidität aus dem Markt zurückholen will, muss sie einfach nur den Geldhahn zudrehen und ordentlich mit dem Putzlappen aufwischen. Die Ausfahrtsstraße der EZB sieht daher recht überschaubar aus, auch wenn erst ganz am Ende der Strasse Zinserhöhungen am Ausfahrtsschild stehen.
Für die Staatsfinanzen sieht die Sache schon etwas schwieriger aus. Hier wurde und wird Steuergeld ausgegeben, das letztendlich zurückverdient werden muss. Einfach nur den Wasserhahn zudrehen, reicht nicht. Über die Notwendigkeit der Haushaltskonsolidierung gibt es keinen Zweifel. Die jüngeren Generationen sollten nicht unter den Altlasten leiden müssen. Die demographischen Entwicklungen kennen keine Finanzkrise und der Druck auf Sozialsysteme und Renten wird in den nächsten Jahren nur noch zunehmen. Die Schulden müssen runter und das Wirtschaftswachstum muss rauf. Unmöglich? Es gibt eine Reihe empirischer Studien, die einen positiven Zusammenhang zwischen Haushaltskonsolidierung und Wirtschaftswachstum zeigen. Das klappt aber nur, wenn die Haushaltskonsolidierung an der Ausgabenseite stattfindet, nicht an der Einnahmenseite. Weniger Ausgaben der öffentlichen Hand können viel eher zu niedrigen Zinsen und einer Abnahme der Sparquote führen und damit das Wirtschafswachstum stärken.
Die Europäische Kommission und der Europäische Rat haben die meisten Mitgliedsstaaten aufgerufen, um nächstes Jahr mit der Konsolidierung zu beginnen. Wie lobenswert und erstrebenswert die Zielvorhaben für nächstes Jahr auch sind, so unrealistisch erscheinen sie. Trotz eines leichten Aufschwungs wird die Produktionslücke auch 2010 noch weiter aufklaffen. Das heißt, dass sich der Arbeitsmarkt weiter verschlechtern aber in keinem Fall verbessern wird. Ein zu frühes Sparen der öffentlichen Hand könnte den fragilen Abschwung abwürgen. Ein Blick auf die letzten 20 Jahre zeigt außerdem, dass im Euroraum noch nie eine Haushaltskonsolidierung begonnen hat, solange die Produktionslücke noch gewachsen ist.
Kaum ein europäischer Politiker hat den Zeitplan der Ausstiegsstrategie in Frage gestellt. Nur keine Probleme machen, scheinen sich viele zu denken. Jetzt Zusagen und Versprechen machen und dann weitersehen. Reine Lippenbekenntnisse. Die Ausstiegsstrategie muss deutlich, glaubwürdig aber auch realistisch sein. Unrealistische Zielstellungen riskieren das endgültige Ende des europäischen Stabilitätspakts im nächsten Jahr. Eine bessere Ausstiegsstrategie ist die deutsche Schuldenbremse. Ein deutliches, glaubwürdiges Bekenntnis zum langfristigen Haushaltsausgleich, das gleichzeitig genug Spielraum zur Überwindung der jetzigen Krise bietet.
Wie auf der Autobahn kommt es auch bei der Ausstiegsstrategie auf das richtige Timing an. Fährt man zu schnell auf der Überholspur, kann man in aller Eile auch schon mal die Ausfahrt verpassen. Europa muss das Tempo etwas drosseln und sich langsam einordnen. Das Ausfahrtsschild kommt erst nächstes Jahr in Sicht.
Artikel in Euro am Sonntag, 19.7.2009
Tuesday, July 7, 2009
Angie en het b-woord
Sinds de vernietigende nederlaag van de Duitse sociaaldemocraten bij de Europese verkiezingen, lijkt er minstens iemand van de statuur van Barack Obama nodig om Angela Merkel van haar tweede termijn als bondskanselier af te houden. De uitdager, minister van Buitenlandse Zaken en sociaaldemocraat, Frank-Walter Steinmeier is alles behalve een Obama. Hij werd al charmant vergeleken met een slapende schildpad. Een schildpad tegen de meest populaire politicus van het land? Een gelopen race? Toch kreeg Steinmeier de afgelopen weken onverwachte hulp van het b-woord. Kan de noodlijdende SPD het tij nog keren?
Merkel en de CDU waagden zich aan het b-woord, de belofte van de verkiezingscampagne is: belastingverlagingen. Het ingewikkelde belastingstelsel met een overvloed aan afschrijvingsmogelijkheden en sluipwegen, is aan een simplificatie toe. Daarnaast zou een belastingverlaging de toch zo zwakke binnenlandse vraag kunnen stimuleren. Blijft staan dat de overheidsschulden de komende jaren de pan uit rijzen door de crisissteun aan de financiële sector en het bedrijfsleven. De CDU en Merkel willen enerzijds de burger ontlasten, maar anderzijds ook als degelijk en spaarzaam gelden. Daarbij komt dat de schulden weer moeten worden afgebouwd, daar Duitsland juist het doel van een evenwichtige begroting vanaf 2016 in de grondwet heeft laten vastleggen. Een vicieuze cirkel?
Wel volgens bijna 80% van de Duitsers, die niet geloven in belastingverlagingen na de verkiezingen. De populariteit van Merkel heeft hier nog geen schade van opgelopen. Toch is voorzichtigheid geboden. Merkel en de belastingen zijn namelijk een moeilijk combinatie. Al tijdens de verkiezingscampagne van 2005 had het Merkel bijna de overwinning gekost: de som van een onbekende kandidaat voor de post van minister van Financiën, die het Duitse belastingstelsel radicaal wilde hervormen en daarbij de belastingen wilde verhogen, waren een welkome prooi voor de zittende bondskanselier Gerhard Schröder. Schröder, altijd telegeniek, baby-zoenend, voetbalspelend en in louter soundbites, speelde in op het Duitse sentiment tegen veranderingen en liet Merkel’s voorsprong van meer dan 20 procent binnen enkele weken bijna volledig verdampen. Merkel finishte met de hak over de sloot.
Het economisch beleid van Angela Merkel wordt vaak beschouwd als anti-beleid: anti-inflatie, anti-stimulus, anti-schulden en anti-staatsinterventies. De feiten spreken echter andere taal. Met staatsgaranties, stimuluspakketten en reddingsacties staat Merkelnomics voor ad hoc oplossingen naar de “kiezersmaak van het moment”. Daarmee win je geen prijs voor rechtlijnigheid, maar waarschijnlijk wel verkiezingen.
Merkel en de CDU waagden zich aan het b-woord, de belofte van de verkiezingscampagne is: belastingverlagingen. Het ingewikkelde belastingstelsel met een overvloed aan afschrijvingsmogelijkheden en sluipwegen, is aan een simplificatie toe. Daarnaast zou een belastingverlaging de toch zo zwakke binnenlandse vraag kunnen stimuleren. Blijft staan dat de overheidsschulden de komende jaren de pan uit rijzen door de crisissteun aan de financiële sector en het bedrijfsleven. De CDU en Merkel willen enerzijds de burger ontlasten, maar anderzijds ook als degelijk en spaarzaam gelden. Daarbij komt dat de schulden weer moeten worden afgebouwd, daar Duitsland juist het doel van een evenwichtige begroting vanaf 2016 in de grondwet heeft laten vastleggen. Een vicieuze cirkel?
Wel volgens bijna 80% van de Duitsers, die niet geloven in belastingverlagingen na de verkiezingen. De populariteit van Merkel heeft hier nog geen schade van opgelopen. Toch is voorzichtigheid geboden. Merkel en de belastingen zijn namelijk een moeilijk combinatie. Al tijdens de verkiezingscampagne van 2005 had het Merkel bijna de overwinning gekost: de som van een onbekende kandidaat voor de post van minister van Financiën, die het Duitse belastingstelsel radicaal wilde hervormen en daarbij de belastingen wilde verhogen, waren een welkome prooi voor de zittende bondskanselier Gerhard Schröder. Schröder, altijd telegeniek, baby-zoenend, voetbalspelend en in louter soundbites, speelde in op het Duitse sentiment tegen veranderingen en liet Merkel’s voorsprong van meer dan 20 procent binnen enkele weken bijna volledig verdampen. Merkel finishte met de hak over de sloot.
Het economisch beleid van Angela Merkel wordt vaak beschouwd als anti-beleid: anti-inflatie, anti-stimulus, anti-schulden en anti-staatsinterventies. De feiten spreken echter andere taal. Met staatsgaranties, stimuluspakketten en reddingsacties staat Merkelnomics voor ad hoc oplossingen naar de “kiezersmaak van het moment”. Daarmee win je geen prijs voor rechtlijnigheid, maar waarschijnlijk wel verkiezingen.
Wednesday, June 17, 2009
Merkelnomics
Officieel is de Duitse regering aanhanger van een orthodox neoliberaal economisch beleid. De praktijk is anders. Dat blijkt nog het duidelijkst uit de Duitse staatssteun aan Opel en het heeft alles te maken met de naderende verkiezingen. Die bepalen Merkels economisch beleid.
Het officiële neoliberalisme van de regering is een soort antibeleid: anti-inflatie, antistimulus, antischulden en antistaatsinterventies. In de huidige recessie, de zwaarste sinds de jaren dertig, blijkt dat het een antibeleid is in woorden, niet in daden.
De feiten spreken duidelijke taal. De wankelmoedige houding rond de nationalisering van de Hypo Real Estate bank, de slalom bij de bankgaranties, de keuze voor het oprichten van een bad bank en de redding van Opel: ze maken duidelijk dat er in de praktijk niet zo veel van het antibeleid terecht is gekomen. Het is Opelnomics in plaats van neoliberaal economisch beleid.
De verklaring ligt voor de hand: de naderende verkiezingen in Duitsland. De Europese verkiezingen vorige week waren slechts de opmaat voor het echte feest als de Duitsers op 27 september een nieuw nationaal parlement kiezen. Bondskanselier Angela Merkel (CDU) neemt het op tegen haar minister van Buitenlandse Zaken, SPD’er Frank-Walter Steinmeier. Duidelijker dan ooit tevoren prevaleert politiek boven economie. De verkiezingen bepalen het economisch beleid.
De beste illustratie daarvan is het optreden van de Duitse regering rond Opel en sinds kort ook Arcandor. Onder de druk van het dreigende faillissement van het Amerikaanse moederbedrijf General Motors (GM) zag de Duitse regering voor Opel geen andere oplossing dan een overbruggingskrediet van 1,5 miljard euro. Merkel was eerst tegen overheidssteun, maar toen Steinmeier de redding van Opel tot nationale urgentie en dus een verkiezingsthema maakte, veranderde de kanselier van gedachten.
Opel werd vervolgens overgenomen door de Canadese auto-onderdelenfabrikant Magna International en de Russische Sberbank. Het consortium neemt een belang van 55 procent, GM houdt 35 procent, de overige 10 procent van de aandelen gaat naar de werknemers van de autobouwer.
Economisch gezien zijn zulke reddingsacties meestal niet verstandig. Staatsinterventies blijken de markt toch vaak te verstoren. Slecht management wordt door overheidssteun beloond, terwijl succesvolle bedrijven worden afgestraft voor goed beleid. Zij krijgen te maken met oneerlijke concurrentie.
Zulke reddingsacties blijven dus riskant. De neergang van slecht bestuurde bedrijven is ook door staatsinterventies niet te voorkomen. Het geld dat de overheid in die bedrijven stopt, komt vaak niet meer terug. Dat geldt wellicht ook voor de redding van Opel.
De onderhandelingen tussen Opel, GM en Magna duren nog voort. Ondertussen is de Duitse regering chantabel geworden omdat ze al 1,5 miljard euro ter beschikking heeft gesteld, zonder garantie op succes. Critici beweren zelfs dat de staat met zulke politieke getinte arrangementen meer risico’s loopt en duurder uit is dan met een rechtstreeks faillissement.
Duitse bondskanseliers die zich als grote redder laten bewieroken, is geen onbekend fenomeen. In 1999 redde Gerhard Schröder bouwbedrijf Holzmann. De prijs voor de tv-beelden van dankbare bouwvakkers die hun kanselier toejuichten was hoog. Ruim twee jaar later was het bedrijf alsnog failliet.
Merkel kent deze geschiedenis, maar zij besloot Opel toch te redden. Het beeld van de redder van de armen verkoopt nou eenmaal goed. De Europese verkiezingen stonden voor de deur en de grote tegenstander, de SPD, probeerde zich als redder van de arbeidersklasse te profileren.
Inmiddels houden meer Duitse bedrijven hun hand op voor staatsteun. Scheepswerf Wadan heeft afgelopen week faillissement aangevraagd, Porsche rommelt nog steeds met betalingsproblemen en moederbedrijf Arcandor van de grote warenhuisketen Karstadt kan zijn huur niet meer betalen.
Maar hun kans op een Opel-achtige redding is verkeken. De autobouwer kreeg de steun vóór de Europese verkiezingen, alle andere bedrijven kwamen erna. Het Duitse kabinet vindt staatsteun nu alleen nog bespreekbaar als bedrijven een levensvatbaar plan voor de toekomst op tafel kunnen leggen. “We moeten voorzichtig zijn met belastinggeld”, aldus Angela Merkel vorige week. Bedrijven die al wankelden voordat van de kredietcrisis sprake was, kunnen staatsteun nu vergeten.
Deze verandering van gedachten houdt direct verband met de uitslag van de Europese verkiezingen. De SPD leed een dramatische nederlaag, de CDU bleef met afstand de grootste partij. De liberale koers van de christendemocraten slaat veel beter aan bij de Duitsers dan vaak wordt gedacht.
Merkelnomics in plaats van Opelnomics. Het blijft afwachten of Merkel ondanks de stijgende werkloosheid aan dit economisch beleid kan vasthouden en de woorden Ronald Reagan volgt. Die zei ooit: “The nine most terrifying words in the English language are, ‘I’m from the government and I’m here to help’.”
Het officiële neoliberalisme van de regering is een soort antibeleid: anti-inflatie, antistimulus, antischulden en antistaatsinterventies. In de huidige recessie, de zwaarste sinds de jaren dertig, blijkt dat het een antibeleid is in woorden, niet in daden.
De feiten spreken duidelijke taal. De wankelmoedige houding rond de nationalisering van de Hypo Real Estate bank, de slalom bij de bankgaranties, de keuze voor het oprichten van een bad bank en de redding van Opel: ze maken duidelijk dat er in de praktijk niet zo veel van het antibeleid terecht is gekomen. Het is Opelnomics in plaats van neoliberaal economisch beleid.
De verklaring ligt voor de hand: de naderende verkiezingen in Duitsland. De Europese verkiezingen vorige week waren slechts de opmaat voor het echte feest als de Duitsers op 27 september een nieuw nationaal parlement kiezen. Bondskanselier Angela Merkel (CDU) neemt het op tegen haar minister van Buitenlandse Zaken, SPD’er Frank-Walter Steinmeier. Duidelijker dan ooit tevoren prevaleert politiek boven economie. De verkiezingen bepalen het economisch beleid.
De beste illustratie daarvan is het optreden van de Duitse regering rond Opel en sinds kort ook Arcandor. Onder de druk van het dreigende faillissement van het Amerikaanse moederbedrijf General Motors (GM) zag de Duitse regering voor Opel geen andere oplossing dan een overbruggingskrediet van 1,5 miljard euro. Merkel was eerst tegen overheidssteun, maar toen Steinmeier de redding van Opel tot nationale urgentie en dus een verkiezingsthema maakte, veranderde de kanselier van gedachten.
Opel werd vervolgens overgenomen door de Canadese auto-onderdelenfabrikant Magna International en de Russische Sberbank. Het consortium neemt een belang van 55 procent, GM houdt 35 procent, de overige 10 procent van de aandelen gaat naar de werknemers van de autobouwer.
Economisch gezien zijn zulke reddingsacties meestal niet verstandig. Staatsinterventies blijken de markt toch vaak te verstoren. Slecht management wordt door overheidssteun beloond, terwijl succesvolle bedrijven worden afgestraft voor goed beleid. Zij krijgen te maken met oneerlijke concurrentie.
Zulke reddingsacties blijven dus riskant. De neergang van slecht bestuurde bedrijven is ook door staatsinterventies niet te voorkomen. Het geld dat de overheid in die bedrijven stopt, komt vaak niet meer terug. Dat geldt wellicht ook voor de redding van Opel.
De onderhandelingen tussen Opel, GM en Magna duren nog voort. Ondertussen is de Duitse regering chantabel geworden omdat ze al 1,5 miljard euro ter beschikking heeft gesteld, zonder garantie op succes. Critici beweren zelfs dat de staat met zulke politieke getinte arrangementen meer risico’s loopt en duurder uit is dan met een rechtstreeks faillissement.
Duitse bondskanseliers die zich als grote redder laten bewieroken, is geen onbekend fenomeen. In 1999 redde Gerhard Schröder bouwbedrijf Holzmann. De prijs voor de tv-beelden van dankbare bouwvakkers die hun kanselier toejuichten was hoog. Ruim twee jaar later was het bedrijf alsnog failliet.
Merkel kent deze geschiedenis, maar zij besloot Opel toch te redden. Het beeld van de redder van de armen verkoopt nou eenmaal goed. De Europese verkiezingen stonden voor de deur en de grote tegenstander, de SPD, probeerde zich als redder van de arbeidersklasse te profileren.
Inmiddels houden meer Duitse bedrijven hun hand op voor staatsteun. Scheepswerf Wadan heeft afgelopen week faillissement aangevraagd, Porsche rommelt nog steeds met betalingsproblemen en moederbedrijf Arcandor van de grote warenhuisketen Karstadt kan zijn huur niet meer betalen.
Maar hun kans op een Opel-achtige redding is verkeken. De autobouwer kreeg de steun vóór de Europese verkiezingen, alle andere bedrijven kwamen erna. Het Duitse kabinet vindt staatsteun nu alleen nog bespreekbaar als bedrijven een levensvatbaar plan voor de toekomst op tafel kunnen leggen. “We moeten voorzichtig zijn met belastinggeld”, aldus Angela Merkel vorige week. Bedrijven die al wankelden voordat van de kredietcrisis sprake was, kunnen staatsteun nu vergeten.
Deze verandering van gedachten houdt direct verband met de uitslag van de Europese verkiezingen. De SPD leed een dramatische nederlaag, de CDU bleef met afstand de grootste partij. De liberale koers van de christendemocraten slaat veel beter aan bij de Duitsers dan vaak wordt gedacht.
Merkelnomics in plaats van Opelnomics. Het blijft afwachten of Merkel ondanks de stijgende werkloosheid aan dit economisch beleid kan vasthouden en de woorden Ronald Reagan volgt. Die zei ooit: “The nine most terrifying words in the English language are, ‘I’m from the government and I’m here to help’.”
Sunday, April 19, 2009
Letter from Brussels - Die echten Europäer
Die echten Europäer in Brüssel bilden schon eine besondere Gattung: Sie fühlen nur wenig von der Rezession. Wie sollten sie auch? Schließlich sind Beamten- und Diplomatenjobs krisenfest, so dass im Europäischen Brüssel bisher nur wenig von der Krise bemerkbar wird: Räumungsverkäufe, leere Einkaufsstraßen oder lange Schlangen beim Arbeitsamt? Nicht in Brüssel! Nur das hektische Treiben europäischer Regierungschefs trübt den Schein.
Wenn man den Finanzmärkten Glauben schenken darf, kann sich auch der Rest Europas in den kommenden Monaten wieder auf Brüsseler Zustände freuen. Das Ende der Krise scheint eingeläutet zu sein. Der DAX ist seit Anfang März 2009 mit knapp 25% gestiegen, Bankenbilanzen verbessern sich und Gewinne werden gebucht. Allerdings bleibt die Frage offen, wie nachhaltig diese positiven Signale sind. Gegenwärtig profitieren Banken insbesondere von den niedrigen Refinanzierungskosten der Zentralbanken und buchhalterischen Tricks. Der amerikanischen Bilanzierungsrat FASB hat Banken mehr Spielraum eingeräumt, um bei der Bewertung ihrer Ramschpapiere vom aktuellen Marktwert abweichen zu können. Durchwurschteln als Strategie?
Natürlich, denn Aktienmärkte laufen wirtschaftlichen Entwicklungen voraus. Die aktuelle Rallye zeigt somit auch, dass das Schlimmste hinter uns liegt. Für kühne Träume ist es aber noch zu früh. Die nächsten Monate werden noch holprig verlaufen. Banken werden schon jetzt mit den realwirtschaftlichen Folgen der Rezession konfrontiert. In Europa ist die Gefahr einer Kreditklemme weitaus geringer zu befürchten als Kreditausfälle und eine sinkende Nachfrage nach neuen Krediten. Immer mehr Menschen werden ihre Arbeit verlieren und die zunehmende Unsicherheit über den eigenen Arbeitsplatz macht die positiven Impulse niedriger Inflation und höhere Löhne wieder zunichte. Es dauert somit noch eine Weile, bis die ganze Wirkung von Konjunkturpaketen und Zinssenkungen zum Tragen kommt.
Der Anfang vom Ende ist da, aber es wird ein langes, zähes Ende. Es wird also noch eine Weile dauern, bis wir alle wieder echte Europäer sind.
Aus: Letter from...Brussels, Euro am Sonntag
Wenn man den Finanzmärkten Glauben schenken darf, kann sich auch der Rest Europas in den kommenden Monaten wieder auf Brüsseler Zustände freuen. Das Ende der Krise scheint eingeläutet zu sein. Der DAX ist seit Anfang März 2009 mit knapp 25% gestiegen, Bankenbilanzen verbessern sich und Gewinne werden gebucht. Allerdings bleibt die Frage offen, wie nachhaltig diese positiven Signale sind. Gegenwärtig profitieren Banken insbesondere von den niedrigen Refinanzierungskosten der Zentralbanken und buchhalterischen Tricks. Der amerikanischen Bilanzierungsrat FASB hat Banken mehr Spielraum eingeräumt, um bei der Bewertung ihrer Ramschpapiere vom aktuellen Marktwert abweichen zu können. Durchwurschteln als Strategie?
Natürlich, denn Aktienmärkte laufen wirtschaftlichen Entwicklungen voraus. Die aktuelle Rallye zeigt somit auch, dass das Schlimmste hinter uns liegt. Für kühne Träume ist es aber noch zu früh. Die nächsten Monate werden noch holprig verlaufen. Banken werden schon jetzt mit den realwirtschaftlichen Folgen der Rezession konfrontiert. In Europa ist die Gefahr einer Kreditklemme weitaus geringer zu befürchten als Kreditausfälle und eine sinkende Nachfrage nach neuen Krediten. Immer mehr Menschen werden ihre Arbeit verlieren und die zunehmende Unsicherheit über den eigenen Arbeitsplatz macht die positiven Impulse niedriger Inflation und höhere Löhne wieder zunichte. Es dauert somit noch eine Weile, bis die ganze Wirkung von Konjunkturpaketen und Zinssenkungen zum Tragen kommt.
Der Anfang vom Ende ist da, aber es wird ein langes, zähes Ende. Es wird also noch eine Weile dauern, bis wir alle wieder echte Europäer sind.
Aus: Letter from...Brussels, Euro am Sonntag
Sunday, February 22, 2009
Letter from Brussels - Brüsseler Ehen
In guten wie in schlechten Zeiten. In ganz Europa steht dieser Satz für Vertrauen und eine gemeinsame Zukunft. Nur nicht in Brüssel. Hier wird statistisch gesehen jede geschlossene Ehe wieder geschieden. Ist das ein schlechtes Omen für die wichtigste europäische Ehe der letzten zehn Jahre: die Europäische Wirtschafts- und Währungsunion?
Kurz nach dem zehnten Hochzeitstag steht der Euroraum vor seiner größten Herausforderung. Die erste Verliebtheit ist verflogen. Offensichtliche Schwächen der anderen, wie z.B. unhaltbare Staatsfinanzen, wurden in Zeiten der ersten Schwärmerei einfach ignoriert. Durch die Finanzkrise und die Rezession ist die rosa Brille der Realität gewichen. Europäische Tigerstaaten sind auf einmal Schmuddelkinder geworden. Die Rendite-Spreads stehen auf dem höchsten Stand seit zehn Jahren. Die Finanzmärkte wetten gar auf ein Ende der Währungsunion.
Niemand kann mit absoluter Sicherheit sagen, dass der Euro bis in alle Ewigkeiten halten wird. Aber doch scheint all das Gerede über ein Ende der Währungsunion mehr aus Europhobischen Träumen entsprungen zu sein als nüchterner Realismus. Wer glaubt denn wirklich, dass Länder außerhalb des Euroraums besser aufgehoben wären als in der EWU? Ohne Euro würden die Finanzierungskosten für diese Staaten weiter steigen, nicht sinken. Eine Schuldenkrise ginge einher mit einer Währungs- und Bankenkrise. Ganz zu schweigen von der politischen Isolation in Europa.
Darüber hinaus stehen die öffentlichen Finanzen vieler Mitgliedsstaaten durch die Hilfspakete für Wirtschaft und Finanzsektor unter enormen Druck. Es ist fraglich, ob alle Länder ihren Finanzierungsbedarf an den Kapitalmärkten decken können. Das Risiko der Staatspleite nimmt zu. Trotz aller anderslautenden Beteuerungen würden in so einem Fall alle anderen Länder einspringen, um die Pleite zu verhindern. Die europäische Ehe soll länger halten als eine durchschnittliche Brüsseler Ehe. Die Therapeutenkosten werden jedoch nicht niedrig sein.
Letter from...Brussels, Euro am Sonntag,
Kurz nach dem zehnten Hochzeitstag steht der Euroraum vor seiner größten Herausforderung. Die erste Verliebtheit ist verflogen. Offensichtliche Schwächen der anderen, wie z.B. unhaltbare Staatsfinanzen, wurden in Zeiten der ersten Schwärmerei einfach ignoriert. Durch die Finanzkrise und die Rezession ist die rosa Brille der Realität gewichen. Europäische Tigerstaaten sind auf einmal Schmuddelkinder geworden. Die Rendite-Spreads stehen auf dem höchsten Stand seit zehn Jahren. Die Finanzmärkte wetten gar auf ein Ende der Währungsunion.
Niemand kann mit absoluter Sicherheit sagen, dass der Euro bis in alle Ewigkeiten halten wird. Aber doch scheint all das Gerede über ein Ende der Währungsunion mehr aus Europhobischen Träumen entsprungen zu sein als nüchterner Realismus. Wer glaubt denn wirklich, dass Länder außerhalb des Euroraums besser aufgehoben wären als in der EWU? Ohne Euro würden die Finanzierungskosten für diese Staaten weiter steigen, nicht sinken. Eine Schuldenkrise ginge einher mit einer Währungs- und Bankenkrise. Ganz zu schweigen von der politischen Isolation in Europa.
Darüber hinaus stehen die öffentlichen Finanzen vieler Mitgliedsstaaten durch die Hilfspakete für Wirtschaft und Finanzsektor unter enormen Druck. Es ist fraglich, ob alle Länder ihren Finanzierungsbedarf an den Kapitalmärkten decken können. Das Risiko der Staatspleite nimmt zu. Trotz aller anderslautenden Beteuerungen würden in so einem Fall alle anderen Länder einspringen, um die Pleite zu verhindern. Die europäische Ehe soll länger halten als eine durchschnittliche Brüsseler Ehe. Die Therapeutenkosten werden jedoch nicht niedrig sein.
Letter from...Brussels, Euro am Sonntag,
Subscribe to:
Posts (Atom)